9783990641224.jpg

Inhoudsopgave

Colofon

Deel 1 Doodsverlangen

1

2

3

4

5

DE VERJAARDAG VAN GOD

Colofon

Alle rechten op verspreiding, met inbegrip van film, broadcast, fotomechanische weergave, geluidsopnames, electronische gegevensdragers, uittreksels & reproductie, zijn voorbehouden.

© 2018 novum publishing

ISBN drukuitgave: 978-3-99064-121-7

ISBN e-book: 978-3-99064-122-4

Lectoraat: Meggie Moors

Vormgeving omslag: Linda Bair, Mykola Mazuryk, Rolffimages | Dreamstime

Omslagfoto, lay-out & zetting:
novum publishing

www.novumpublishing.nl

Deel 1
Doodsverlangen

Vrijdag ben ik gestorven, vandaag weer opgestaan,

gehuild, gesmeekt, gebeden, en verdronken,

in diepste pijn weer kracht verworven,

ik leef, ik heb de dood doorstaan.

1

Einde.

Dit is het einde.

Voor wie dit leest: Dit is het einde.

Het woord herhaalt zich, stuiterend en echoënd als een mantra in zijn hoofd, wanneer hij de brief op de plek gooit waar ooit de kassa stond. Stofvlokken dwarrelen van de toog in zijn gezicht. Hij niest. Op de tast loopt hij door de donkere ruimte van de coffeeshop naar de uitgang. Hij is hier niet meer geweest sinds het gas en de elektriciteit werden afgesloten. Met zijn handen beschermend voor zijn hoofd probeert hij de kleverige draden van de spinnenwebben uit zijn gelaat te houden. Hij kruipt door het gat in het onderste deel van de deur naar buiten. Hij kijkt om zich heen. Niemand heeft hem gezien. Hij werpt een weemoedige blik op de dichtgespijkerde ramen van zijn eens zo goedlopende softdrugspaleis en schuift het stuk spaanplaat terug voor het gat in de deur waardoor hij zo-even wederrechtelijk in en uit is geslopen. Met een verbeten trek draait hij zich om en loopt de Oudezijds Voorburgwal op. Hij hijgt en zijn benen voelen zwaar, wanneer hij de lichte helling naar de Liesdelsluis oploopt. Om even op adem te komen, houdt hij zijn pas in en grijpt de leuning. Met zijn vingers strijkt hij over de letters die de naam van het bruggetje vermelden. Zijn blik glijdt over de gracht, de panden aan de Zeedijk, de Kerk van Sint-Nicolaas, de beschermheilige van de zeelui en de prostituees, die hoog boven de daken uittorent, en zijn eigen vergane coffeeshop rechts in het plaatje. Op deze plek is hij verliefd geworden op de stad met haar rijke historie, de eeuwenoude gevels, duizenden bruggen over vele grachten, de tolerantie en de grote verscheidenheid aan mensen en culturen die hier dagelijks verkeren. Het is ook de plek waar hij het leven van een andere kant heeft leren kennen. De straatcriminaliteit, de pogingen tot afpersing, de bureaucratie van de ambtenaren, het zwalkende beleid van de gemeente. Het heeft allemaal bijgedragen tot zijn faillissement.

***

Nauwelijks een kilometer verderop schrikt een man wakker van een snerpend gefluit. Hij vliegt overeind, grist zijn weekendtas van de bank tegenover hem en rent door de coupé naar het balkon van de trein. De deuren sissen. Net voordat deze zich sluiten, springt hij op het perron. Nog duizelig van het abrupte einde aan zijn hazenslaapje, stapt hij op de roltrap naar de passage onder de sporen. Hij loopt door de hal van het Centraal Station. Een straatdealer vraagt met zijn tanden op elkaar en nauwelijks bewegende lippen: ‘Drugs kopen?’ De knul moest eens weten wie hij voor zich heeft, denkt hij, terwijl hij een glimlach forceert en resoluut zijn hoofd schudt. De jongen geeft niet zomaar op en pakt hem amicaal bij zijn pols, terwijl hij de uitzonderlijke kwaliteit van zijn handelswaar aanprijst. Een blik in zijn ogen is genoeg. Hij werpt zijn tas op de grond, pakt in een vloeiende beweging de pols van de dealer en draait zijn arm achter zijn rug.

‘Je hebt de verkeerde voor je, vriend,’ sist hij hem in zijn oor, terwijl hij de handpalm van de jongen met geweld naar diens onderarm buigt. De jongen protesteert kermend. Het kostbare horloge van de man valt op de stenen van de stationshal. De zakkenroller verschiet van kleur.

‘Problemen, heren?’ Twee beambten van de spoorwegpolitie zijn direct op de twee mannen toegelopen. Dit is wel het laatste dat de man kan gebruiken. Hij tovert een brede glimlach op zijn gezicht, slaat zijn arm om de dief heen en roept vrolijk tegen de oudste van de twee:

‘Niets aan de hand, brigadier. Dit is een ouwe gabber van me.’

De surveillanten nemen hen achterdochtig op. De jongste wijst naar de grond.

‘Is dat horloge van u?’

De man kijkt quasionnozel naar beneden, bukt zich dan en raapt het uurwerk op. Het onverwoestbare glas heeft de val zonder zichtbare schade overleefd.

‘Ja, waardeloos bandje,’ mompelt hij, ‘moet hoognodig worden vervangen. Het horloge staat ook al bijna twee maanden stil.’

Hij laat het uurwerk in zijn jaszak glijden, knikt beleefd naar de politieagenten en trekt zijn overvaller mee.

‘Smoel houden en zodra we de hoek om zijn, opsodemieteren. Laat ik je nooit meer zien!’ De man fluistert het met een pokerface in het oor van de dealer. Vlak voor de uitgang van het station draait de dief zich van de man af en grijpt in zijn binnenzak. Terwijl de man het station verlaat, houdt de zakkenroller de telefoon aan zijn oor en zegt met gedempte stem:

‘Onze man komt er nu aan …’

Op het stationsplein snuift de man uit de trein de frisse nachtlucht in. Het rommelt in de lucht. Hij kijkt naar de hemel boven de gele letters van het Victoria Hotel. Zijn blik gaat naar links, waar zijn aandacht getrokken wordt naar de voorgevel van de Sint-Nicolaaskerk, de majestueuze poort naar het wallengebied. De mysterieuze torens priemen dreigend in de donderwolken.

***

Dries haalt zijn schouders op, neemt onbewust afscheid en loopt verder, de brug over en vervolgt zijn weg aan de andere kant van de gracht. De penetrante urinelucht uit het donkergroene hokje langs het water dringt in zijn neus. Walgend wendt hij zijn hoofd af en kijkt op naar de Oude Kerk, het is bijna kwart over drie. Hij loopt langs zijn grootste concurrent, slingert binnensmonds een verwensing naar de gevel van de first coffeeshop in town en duikt rechtsaf de steeg in. Zelfs in het doorgaans drukke wallengebied is het nu rustig. De meeste rode lichten zijn gedoofd in de smalle Dollebegijnensteeg; de gordijnen voor de ramen zijn open. Een man in een zwart leren jack met een bontkraag komt uit een van de peeskamertjes. Hij kijkt schichtig om zich heen en loopt hem dan tegemoet. Met zijn hoofd naar beneden mompelt Dries een onverstaanbaar goedenacht.

De man snauwt iets terug. Het klinkt Russisch, maar het kan ook Bulgaars, Roemeens of Pools zijn. Het is Dries om het even. Hij slaat de hoek om naar links, direct naar rechts en komt even later uit op de Warmoesstraat. Hij kent dit deel van de stad als zijn broekzak. Via de Papenbrugsteeg loopt hij naar het Damrak. Verongelijkt aanschouwt hij de luxe etalages aan zijn linkerzijde. Op de hoek stopt hij nogmaals. Hij staart naar de Beurs en denkt terug aan de tijden dat hij dagelijks de koersontwikkelingen van opties en aandelen bijhield. Die goede, oude tijd, toen de bomen nog tot in de hemel groeiden. Hij schudt mismoedig zijn hoofd en werpt een blik op het Centraal Station in de verte. Gebiologeerd blijft hij staan kijken naar de toegangspoort van Amsterdam, waardoor dagelijks meer dan honderdvijftigduizend mensen de stad bezoeken of verlaten. Het gebouw met de twee torens uit de negentiende eeuw, op het speciaal daarvoor opgespoten eiland. Dit is de plaats waar vele reizigers voor het eerst kennismaken met zijn geliefde stad.

***

De man moet opschieten. Het onweer kan ieder moment losbarsten. Op weg naar zijn fiets passeert hij twee witte, met blauwe en rode strepen gemarkeerde VW-busjes. Hij ontwijkt de blikken van de politieagenten die tegen hun surveillanceauto’s geleund de ingang van het station in de gaten houden. Tussen de dicht op elkaar geplaatste tweewielers vindt hij zijn fiets. Hij legt zijn tas in de bak voor het stuur en wurmt zich een weg naar het voorwiel. Hij blikt om zich heen voordat hij zich bukt om het kettingslot los te maken. Niemand anders in de buurt, behalve de handhavers van de wet. Hij wrikt zijn vehikel uit het rek en loopt ermee naar het fietspad. Honderd meter verderop in het straatje langs de fietsenflat staat een zwarte SUV geparkeerd op de kiss and ride plaats voor de ingang van het hotel. Op het moment dat de man op zijn fiets stapt, komt de auto in beweging. Twee bundels xenon verblinden hem. Hij knippert met zijn ogen en houdt zijn hand beschermend voor zijn hoofd. Even later rijdt hij over de brug en ziet de verlaten steiger van Lovers waar de oranje rondvaartboten afgemeerd liggen. Op dat moment verbreekt het donkere gebrul van een op toeren gejaagde achtcilinder de stilte. De zwarte Cadillac Escalade met geblindeerde ramen slaat rechtsaf de brug op. De fietser draait zijn hoofd naar links en ziet de auto passeren en schuin voor zich vaart minderen. Het raam bij de passagiersstoel zoeft geluidloos open en de loop van een automatisch vuurwapen komt naar buiten.

MIJN GOD, NEE, NIET DOOD!

Hij bedenkt zich geen moment. In een fractie van een seconde gooit hij zijn stuur naar rechts. Het eerste vuursalvo klinkt door de nacht, terwijl hij over het fietspad langs de kade slingert. Als een bezetene trapt hij de pedalen rond. Hij kijkt achterom en ziet de Cadillac halverwege de kruising achteruitrijden en rechtsaf de Prins Hendrikkade opdraaien. Met brullende motor zetten zijn belagers de achtervolging in. De eerste sirenes laten zich al direct horen. Het tweetonige geluid neemt in volume toe. Deze mannen deinzen nergens voor terug realiseert hij zich. Een moordaanslag zo vlak onder de ogen van de politie! Nog twintig meter naar de fietstunnel. Daar is hij beschut. Voor even. Op het moment dat hij de hol af fietst, vliegt een tweede lading kogels over zijn hoofd. Instinctief bukt hij. Met zijn neus op het stuur stuift hij naar beneden. Schuin boven hem komt de auto tot stilstand. Portieren zwaaien open. Vlak voor de scherpe bocht naar links ontwaart hij boven zich een man met een bivakmuts die zich over de rand buigt.

***

Dries schrikt op uit zijn mijmering door het geluid van sirenes en het flikkeren van blauwe zwaailichten bij het station. Hij draait zich om en sleept zich tenslotte in steeds tragere bewegingen naar de Dam. Het plein is uitgestorven vannacht. Leeg. Alles is leeg. Onweerswolken pakken zich rommelend samen boven het Koninklijk Paleis. Een onaangename, koude windvlaag bezorgt hem een rilling. Hij duikt dieper in zijn kraag. Met holle ogen staart hij naar de donkere bogen op de begane grond van het zeventiende-eeuwse gebouw. Bij iedere stap dichterbij lijken de openingen hem groter en meer en meer naargeestig aan te gapen. Hij telt de ramen en de etages. Een hele verdieping, een halve, een hele en nog een halve. Zijn blik reikt verder omhoog naar het fronton met de chaotische worsteling van zeedieren. De gouden hoorns en de drietand bewegen zich alle naar hem toe. De beesten kronkelen en bijten in zijn richting, hongerig, alsof ze voorvoelen dat zijn lichaam hen straks tot voer dient. Hij rilt en kijkt verder omhoog. De bronzen beelden op de rand komen tot leven. Prudentia fronst haar wenkbrauwen, opent haar mond en maant hem met een beweging van haar hand tot voorzichtigheid. Justitia wikt en weegt zijn leven op haar balans, de zwaarte wint het van het licht, de schaal slaat door. Ze velt haar vonnis. Bovenop, in het midden van de triangel, zwaait Pax, het beeld van de Vrijheid, de dochter van Justitia en Jupiter, met haar olijftak en de staf van Mercurius. Royaal stort zij haar hoorn vol vrede en overvloed uit voor zijn voeten. Niet voor mij, denkt Dries smalend. Hij schat de afstand van het beeld tot de grond en knikt.

***

Voordat de huurmoordenaar zijn wapen kan richten, stuift de man op zijn fiets het tunneltje in. Dit geeft hem een kleine voorsprong. Het fietspad loopt onder de weg door waar de SUV staat en komt uit op het Singel. Hij berekent zijn tijdwinst en plant de meest kansrijke vluchtroute. Zo snel als hij zijn benen rond kan trappen, fietst hij tegen het verkeer in aan de linkerzijde van het water. Schuin achter zich hoort hij de SUV met piepende banden de overzijde van het Singel opdraaien. Vanaf de overkant ondernemen de schutters een derde poging hem te liquideren. GODDANK, AMATEURS. BLIJF VOORAL MISSEN!

Hij zoekt dekking achter de aan de gracht geparkeerde auto’s. De kogels ketsen af tegen de stenen van de eeuwenoude huizen en verbrijzelen enkele ramen. Koortsachtig kijkt hij om zich heen. Terwijl de eerste zwaailichten de gevels van de panden blauw kleuren, schiet hij de steeg in. Op het moment dat politieauto’s vanuit alle hoeken van de stad zich richting de schietpartij begeven, fietst hij in volle vaart de Koepelkerk voorbij, slaat rechtsaf en omzeilt even later ternauwernood een rij paaltjes. Hij schiet het voetgangersgebied op en schampt een man die zojuist afscheid neemt van de prostituee in haar roodverlichte kamertje. De vrouw gilt, de man scheldt hem uit. Hij negeert de beide mensen. In zijn vlucht knalt hij tegen een bloempot. De scherven kletteren op de stenen van de uitgestorven steeg. Hij laat een spoor van aarde en planten achter zich en slingert wild heen en weer in zijn pogingen de gevels aan beide zijden te ontwijken. Hij blijft overeind. Het zweet breekt hem uit. De druk op zijn borst neemt toe. Hij voelt zijn hart ongecontroleerd bonken en raakt buiten adem. Hij mag niet stoppen, ze zijn nog te dichtbij. Zigzaggend door het labyrint van steegjes en voetgangerszones, vliegt hij uiteindelijk de Nieuwezijds Voorburgwal op. Hij kijkt de straat in en werpt een blik over zijn schouder. Geen politie en geen SUV te zien. Nog niet. Doodsbang dat zijn achtervolgers ieder moment deze straat in kunnen komen rijden, zet hij de vaart er weer in, terwijl de eerste regendruppels zijn gezicht nat maken. Hij fietst op volle kracht richting het felverlichte Magna Plaza. Wanneer hij dat ongezien weet te bereiken en aan de andere kant van het paleis kan komen, is hij voorlopig even buiten het bereik van zijn achtervolgers. Dan barst de onweersbui in volle hevigheid los. In een mum van tijd verandert de straat in een spiegelende stroom water. Hij gaat staan en gebruikt zijn volle gewicht om de pedalen rond te trappen. Hij klemt zijn handen om het stuur en buigt naar voren. Nog tweehonderd meter. Vanuit zijn ooghoek ziet hij de verlichte ingang van Die Port van Cleve weerspiegeld op het natte wegdek. De taxi die plotseling stilhoudt voor de ingang ziet hij te laat. In een reflex probeert hij deze nog te ontwijken. Hij schampt het linker achterlicht. Even heeft de man nog hoop op de been te blijven. Op dat moment zwaait het portier van de auto open. Zonder nog te kunnen remmen, boort hij zijn fiets in de binnenkant van het portier. Hij hoort een man vloeken, terwijl hij zelf door de lucht buitelt. Een allesoverheersende impuls schiet door zijn hoofd:

NEE, IK WIL NIET DOOD!

Dan smakt hij met zijn hoofd op de straat tussen het hotel en de Nieuwe Kerk en wordt alles zwart.

***

Stap voor stap sleept Dries zich de vier stenen treden op naar de middelste van de zeven bogen. In de verte schreeuwen steeds meer sirenes in de nacht. Het dringt nauwelijks tot hem door. Hij klemt zijn handen om twee spijlen van het hek en drukt zijn voorhoofd tegen het koude metaal. De energie van het monument uit de Gouden Eeuw vloeit door zijn lichaam. Beelden uit het verleden schieten door zijn hoofd. Het bordes met aan de voorzijde de dertien gouden leeuwen omgeven door cirkels van bladeren, bijeengehouden door strikken. Dit is de plek waar koningen en koninginnen zich presenteren aan het volk. Achter de ramen het centrum van het universum, het symbool voor de vrijzinnige stad, de burgerzaal. Hij ziet hoe dit gebouw functioneert als stadhuis, de keizer huisvest en als Koninklijk Paleis dienstdoet. Hoogwaardigheidsbekleders uit de hele wereld lopen in en uit. Ceremoniële en familie- aangelegenheden voor vorsten en vorstinnen vinden plaats. Meer dan driehonderd jaar geschiedenis flitst in een versnelde film voorbij. Hij ziet zichzelf in alle tijden, bij alle gebeurtenissen, als een vage toeschouwer zonder gezicht. Hij participeert niet. Hij kijkt alleen, terwijl de wereld om hem heen raast en de eeuwen op hem in beuken. De tijd komt naar hem toe en verlaat hem weer. Speelt met hem, spot, daagt uit en laat hem vallen. Te laat. Het heeft geen zin meer. Hij voelt het leven uit zijn lichaam trekken. Zijn voeten worden koud. Het ijzige gevoel trekt verder omhoog. De laatste restjes warmte ballen samen tussen zijn schouders en verlaten zijn lichaam bij zijn hoogste rugwervel.

Zijn zicht keert terug. Hij is los van de grond. Hij zweeft. Als een vlieger verbonden aan het lichaam dat enkele meters beneden hem op straat ligt, beweegt hij steeds verder omhoog. Een zilveren streng verbindt zijn onderrug met de nek van het slachtoffer. De draad groeit als vanzelf mee met de afstand die hij neemt tot de gewonde man. Hij zit aan de man vast zonder te beseffen dat hij het zelf is. Van boven de daken ziet hij hoe politieagenten de plaats van het ongeluk met linten afzetten en hoe hulpverleners zich over het lichaam buigen. Verward vlucht hij verder op zoek naar een veilige plek. Hij raakt Atlas, het bronzen beeld dat de wereld op zijn schouders draagt. De aanvaring doet hem op het dak belanden. Hij grijpt zich vast aan de koepel in het midden en manoeuvreert naar de andere kant. Weg van de straat, uit het zicht van zijn achtervolgers. Het zilveren lint volgt hem in iedere richting en bij elke versnelling. Als een staart van ragfijn stof markeert het de weg terug naar zijn fysieke lichaam.

Een wolk van gedachten ontspint zich uit zijn nek en kruipt langs de gevel omhoog. Dries voelt nu geen kou meer en geen pijn. Hij ervaart verdriet noch angst. Hij neemt slechts waar, staande op de rand van het dak, met zijn rug tegen Pax geleund. Hij ziet uit over de stad. Zijn stad. Het monument tegenover hem wijst een waarschuwende vinger omhoog. Hij weet de drugs, de dealers, zijn coffeeshop en de hoeren daar vlak achter. Hij kijkt naar beneden en weet zichzelf onder het balkon staan, vastgeklampt aan het hek. Slechts een dunne, zilveren draad houdt hen nog bij elkaar. Hij verlangt naar het einde. Of zijn begin. Hij weet het niet. Zijn laatste poging, waarschijnlijk, of de eerste serieuze sprong op zoek naar wat er mogelijk wel is. Hij wil niet meer. Worstelend met zijn identiteit, onwetend over zijn waarom, doelloos dolend zonder richting stelt hij zich voor om de stap te zetten.

‘Wat doe jij hier?’

Hij reageert niet. Hij verzamelt al zijn moed om afscheid te nemen van zijn uitzichtloze bestaan. Hij tilt een been op en beweegt het langzaam naar voren.

‘Wat doe jij?’

Hij wil nu niets horen. De stem komt te laat. Hij heeft deze bijzondere dag met zorg uitgekozen. Het einde van de vijfde fase van zijn mislukte leven. Hij laat zich nu niet meer weerhouden van zijn voornemen. Hij spreidt zijn armen en maakt zich op voor de sprong.

‘Wat doe …?’

‘Ja, ik heb je gehoord, verdomme, laat me met rust!’

Het moment is voorbij. Zijn concentratie is verdwenen. Hij laat zijn armen zakken en trekt zijn been weer in. Geïrriteerd kijkt hij om zich heen, verstoord, maar ook nieuwsgierig naar waar deze stem ineens vandaan komt. Hij zoekt steun achter zich en omarmt het linkerbeen van Pax. Hij kijkt schuin naar beneden. Fortuna staat stokstijf aan de rechterzijde; Justitia bewegingloos links van hem. Geen levende ziel te bekennen. Hij schudt zijn hoofd en staat op het punt het afscheidsproces
te hervatten.

‘Hier. Achter je.’

Hij verstevigt zijn greep en draait zich moeizaam manoeuvrerend op de punt van de triangel een halve slag om. Door de sluier van regen ontwaart hij een gedaante. De voeten stevig verankerd op de stenen rand van de voorste boog onder de klokkentoren. De rechterhand wijst naar de grote wijzer van de klok die stilstaat op vijfendertig minuten over drie. De andere arm reikt naar hem.

‘Wat moet je van me?’

Een rukwind neemt de laatste woorden mee voordat deze de geheimzinnige figuur bereiken.

‘Wacht. Ik kom naar je toe.’

Voordat hij met zijn ogen kan knipperen voelt hij beweging achter zich. Hij draait zich om en kijkt recht in het gezicht van een knappe, charismatische man. Een glittering markeert de boog waarin de man zich verplaatst heeft van de koepel naar het beeld. Lange, zwarte haren plakken om een vriendelijk gezicht. Een stoppelbaard van hooguit drie dagen oud siert een kin en twee wangen die in een vriendelijke, licht spottende lach opzij wijken en twee rijen stralend witte tanden tonen. Twee azuurblauwe ogen completeren de geestige verschijning. Met een arm om het rechterbeen van het beeld geslagen, een voet op de rand van de gevellijst en met een hand in een vriendschappelijk gebaar om zijn elleboog, tast de man met zijn andere voet naar een vlakke plek op het schuine dak. Zo staan de twee tegenover elkaar, zich vasthoudend aan hetzelfde beeld, minutenlang met hun neuzen nauwelijks twee decimeter van elkaar verwijderd, de blikken gevangen in een peilloos diep contact. Dan verbreekt de onbekende de stilte.

‘Wat doe jij hier?’

Hij denkt lang na. De blik van de man tegenover hem blijft onafgebroken op hem gericht en dringt zo diep binnen, dat hij beseft niets verborgen te kunnen houden voor deze verschijning. Zonder zich bewust te zijn van de woorden die zijn mond verlaten, stamelt hij:

‘Ik vlucht voor het leven.’

De man trekt zijn wenkbrauwen op.

‘Waarom?’

Hij ademt diep in en terwijl tranen achter zijn ogen branden, fluistert hij:

‘Ik wil vrij zijn. Eindelijk vrij zijn.’

Een schok trekt door het lichaam van de man tegenover hem. Hij zwijgt. Een diepe serene rust valt over het dak, het onweersgeweld zwijgt, beweging staakt en de tijd staat stil. De ontboezeming heeft hem voor even opgelucht. Zorgen maken plaats voor nieuwsgierigheid. Hij schraapt zijn keel en doorbreekt de wonderbaarlijke stilte:

‘En wat doe jij hier?’

De man heeft niet lang nodig om te antwoorden:

‘Ik vlucht voor de dood.’

Voordat hij naar de reden kan vragen, barst de gedaante uit. Een onaardse lach echoot over het dak wanneer hij de ongestelde vraag beantwoordt:

‘Omdat ik vrij wil zijn. Net als jij, ook eindelijk vrij wil zijn.’

Hij wordt meegevoerd, terwijl de woorden nog nagalmen. De stenen van het plein komen dichterbij en verwijderen zich. Hij ziet de gebouwen, de straten, de auto’s vervormen. Ze komen in golven naar hem toe. Rechte lijnen worden krom, vaste vormen vloeibaar. De regensluier wijkt uiteen. Over de hele stad hangt een blauwe waas. Hij voelt geen pijn, geen angst, geen blijdschap, geen zorgen, geen woede, geen frustratie, geen geluk. Niets, hij voelt helemaal niets. Hij ruikt niets. Er is helemaal niets, behalve een diepe monotone zoem in zijn oren en de verkleurde stad die zich in op hol geslagen getijden aan hem presenteert en zich van hem vervreemdt. In deze surrealistische zweefvlucht wordt de bromtoon onderbroken door een opvallend heldere stem.

‘Neem me mee.’

Dries begrijpt er niets van. Wat gebeurt er, waar ben ik? Hij probeert te achterhalen waar de stem vandaan komt. Hoe hij zijn hoofd ook wendt, het beeld blijft hetzelfde. Boven is onder, beneden is omhoog, links is rechts en andersom. Hij buitelt door de stad, zonder richting, zonder doel, zonder iets te raken en zonder iets te missen.

‘Neem me mee.’

‘Waarheen?’ schreeuwt Dries geluidloos.

Het totale gebrek aan angst en paniek verontrust hem. Hij is er, en ook weer niet. Deze staat van zijn is volslagen ongrijpbaar. Waar kan hij heen, heeft hij invloed, kan hij sturen, kan hij iets veranderen?

‘Neem me mee naar een veilige plaats.’

Hoezo, veilige plaats? Wat is hier veilig? Alles is even veilig als onveilig in dit luchtledige aquarium, denkt hij. Dries overweegt of hij de stem zal negeren of er gehoor aan zal geven. Het eerste lijkt hem geen goed idee. Hij besluit de opdracht serieus te nemen, maar heeft geen idee op welke wijze. Het lijkt alsof zijn gedachten gehoord worden.

‘Visualiseer!’

Visualiseer? Hij denkt koortsachtig na. Welke plaats is veilig? Alle plekken waar hij zich ooit thuis gevoeld heeft zijn er niet meer, of worden door anderen bewoond of gebruikt. De meesten zien hem liever niet meer komen. Hij moet er niet aan denken nu geconfronteerd te worden met het nieuwe gezin van zijn voormalige echtgenote. Het was weliswaar zijn huis. Destijds. Na de jarenlange, slepende vechtscheiding kan hij zich daar niet meer vertonen. Zijn restaurants? Allemaal geconfisqueerd. Na het faillissement zijn ze geveild. De hoogste bieders hebben ze voor een fractie van de oorspronkelijke waarde in bezit gekregen. De opbrengst dekte slechts een deel van al zijn schulden. Nee, veel veilige plaatsen zijn er niet die bescherming bieden tegen boze exen, vrienden, zakenpartners en schuldeisers. De enige plek waar hij ongemerkt kan verblijven, is zijn dichtgetimmerde coffeeshop en de kleine opslagruimte daarboven. Hij denkt aan de stoffige zaak en besluit daarheen te gaan. Hij concentreert zich op zijn gedachten. Er gebeurt niets. Hij blijft zwevend ronddobberen, of dobberend rondzweven. Hij weet het niet.

‘Visualiseer!’

‘Dat doe ik toch, man!’

Hij raakt geïrriteerd. Hoe kom ik in hemelsnaam bij mijn zaak. Het is vlakbij, alleen kom ik hier niet weg.

‘Zie het voor je. Met denken alleen kom je er niet.’

Dries zucht. Hier heeft hij geen ervaring mee. Hij sluit zijn ogen en vormt zich een beeld van de groene, verlichte letters “Coffeeshop”. Het plaatje van de stad verandert. Het schiet onrustig heen en weer. Als een bal in een reuzegrote flipperkast vliegt en schokt hij heen en weer van de ene coffeeshop naar de andere. Er komt geen eind aan het heen en weer slingeren.

‘Focus, mijn vriend. Focus. Wees specifiek.’

Specifiek? Wat is specifiek voor mijn coffeeshop? De gevel? De naam? Nee. Het interieur? Alles weggehaald. De brief! Zijn afscheidsbrief. Die is uniek. Op de toog, op de lege plek van de kassa. Hij ziet het papier met de in zijn eigen handschrift geschreven tekst voor zich. De onpersoonlijke aanhef, de uiteenzetting waarom hij tot zijn daad gekomen is, de sneer naar zijn plaaggeesten. De wildemansrit eindigt. Dries landt voor de gevel van zijn coffeeshop. De spaanplaten voor de deur en ramen zijn verdwenen. De deur opent zich vanzelf. Zodra de mannen binnentreden, knippert het licht driemaal aan en uit en blijft dan branden. De deur valt achter hen dicht. De zilveren draden, in elkaar verstrengeld tijdens de tocht, absorberen het licht en doven uit.

‘Wat is dit?’

De man met de lange, zwarte haren en de opvallende blauwe ogen bukt zich en raapt de brief van de grond.

‘Dat is niets. Daar heb je niets mee te maken. Geef hier.’

Dries beweegt zich naar de man toe en grijpt naar de brief. Voordat hij het papier in zijn vingers denkt te voelen, is de man verdwenen. Beduusd kijkt Dries naar de plak waar hij zojuist nog stond.

‘Mijn God, dat ziet er niet best uit. Heb jij dat geschreven?’

Aan de andere kant van de ruimte staat de man met de uitgevouwen brief voor zijn ogen. Hij schudt zijn hoofd bij het lezen en richt zich dan tot Dries, terwijl hij hem met zachte stem confronteert met de tekst die hij zelf heeft geschreven.